De levensloop van Vincent (de eerste 30 jaar)

Het is interessant om uit te zoeken wanneer precies (en eventueel via wie) Vincent zijn eerste opdracht kreeg om codes in zijn werken te gaan aanbrengen. Daartoe is hieronder veel over de levensloop van Vincent te lezen, tot het moment (Nuenen, december 1883) dat de eerste belangrijke codes in zijn kunstwerken verschenen.

30 maart 1853 – geboorte Vincent

De levensloop van Vincent begon op 30 maart 1853, toen Vincent Willem van Gogh werd geboren. Dit was precies een jaar nadat moeder en vader Van Gogh met een doodgeboren zoontje werden geconfronteerd. Dit jongetje heette ook Vincent. De geboorteplaats van “onze” Vincent was het Brabantse dorp Groot-Zundert, waar vader Van Gogh predikant was voor de Nederlands-Hervormde gemeente. Daar, in de domineeswoning,  zag Vincent het levenslicht.

1 mei 1857 – geboorte Theo

Op 1 mei 1857 werd Theo geboren. Vincent en zijn broer zouden hun hele leven nauw met elkaar verbonden blijven. Dat uitte zich onder meer in een uitvoerige briefwisseling. Vanaf het moment dat hij kunstenaar werd, stuurde Vincent zijn meeste schilderijen en tekeningen naar Theo, die ze als kunsthandelaar probeerde ze te verkopen.

januari tot november 1861 – dorpsschool

Vincent zat van januari tot november 1861 op de dorpsschool in Zundert. Daar moest hij al snel weer af, naar het schijnt omdat de boerenjongens uit het dorp een slechte invloed op het leven van Vincent uitoefenden.

december 1861 tot september 1864 – thuis-onderwijs

De dorpsschool maakte plaats voor thuis-onderwijs door Vincents vader en een gouvernante. Dat was Anna Birnie, dochter van de kunstschilder en tekenaar Steven Birnie. Op deze manier genoot Vincent in alle rust thuis van privélessen zodat hij de (pestende?) boerenjongens kon ontlopen. Er zijn aanwijzingen dat Anna Birnie ook tekenles aan Vincent gaf. Wellicht heeft zij daarmee als een van de eersten Vincents artistieke talent aangewakkerd.

Tegelijkertijd kan het doordringende gepest dat Vincent voorheen ten deel was gevallen, geleid hebben tot een trauma waaruit zich een vorm van waanzin ontwikkelde. Zie ook de homepage over dit onderwerp.

oktober 1864 tot september 1866 – privékostschool

In 1864 werd Vincent naar de protestantse kostschool van Jan Provily in Zevenbergen gestuurd. Hij bleek goed te zijn in Frans, Duits en Engels. Vincent verbleef er tot september 1866 maar vond dat hij er weinig leerde, zoals uit enkele van zijn latere brieven blijkt.

september 1866 tot maart 1868 – Rijks-HBS Tilburg

Vincent was in deze periode leerling aan de Rijks-HBS Koning Willem II in Tilburg. In die tijd was dat de enige HBS in heel Brabant. Het leren ging Vincent goed af, maar toch verliet hij in maart 1868 vroegtijdig de school. De reden hiervan is niet bekend. Het moet iets te maken hebben gehad met iets in het leven van Vincent dat anderen niet aanstond.

maart 1868 tot juli 1869 – bij zijn ouders

Na de HBS te hebben verlaten, ging Vincent bij zijn ouders in Groot-Zundert wonen. Daar is ongetwijfeld over de levensloop van Vincent gesproken, waarbij ook zijn oom Vincent van Gogh (oom Cent) betrokken was. Deze broer van zijn vader was van beroep kunsthandelaar en getrouwd met de zus (Cornelia Carbentus) van de moeder van Vincent (Anna Cornelia Carbentus).

1869 – de eerste verdiensten binnen de levensloop van Vincent

In 1869 werd Vincent aangesteld tot jongste bediende (c.q. leerling kunsthandelaar) bij de Haagse vestiging van de Franse kunsthandel Goupil & Cie. Die aanstelling kwam tot stand op voorspraak van zijn oom Cent, die medevennoot in de firma was. Vincents aanvangssalaris was 30 gulden per maand. Zijn chef was H.G. Tersteeg.

1871 – Helvoirt

Nadat de vader van Vincent beroepen werd tot dominee in Helvoirt, verhuisde het gezin van Groot-Zundert naar dit Brabantse dorp in de omgeving van Vught. Het gezin betrok de domineeswoning aan de Torenstraat 47 in Helvoirt.

29 september 1872 – eerste brief Vincent

Vincent schreef zijn eerste brief aan zijn broer Theo, die hem in augustus in Den Haag was komen opzoeken. Het was het begin van een bijna onafgebroken briefwisseling, die tot het eind van het leven van Vincent zou duren. Op bovenstaande afbeelding een fragment van de eerste brief (bron: Van Gogh Museum Amsterdam)

eind 1872 – Vincent verliefd

In de periode dat Vincent in Den Haag woonde, onderhield hij contacten met de familie Haanebeek, die in de verte verwant was aan de familie Van Gogh. Naar verluidt werd Vincent verliefd op Caroline Haanebeek en hij deed haar zelfs een huwelijksaanzoek. Vincents liefde voor Caroline werd echter niet door haar beantwoord.

januari 1873 – Theo naar Brussel

Oom Cent droeg Vincents broer Theo voor om te werken bij het Brusselse filiaal van kunsthandel Goupil & Cie, waar hij inderdaad werd aangenomen.

mei 1873 – Vincent naar Londen

Vincent bezocht zijn ouders in Helvoirt en ging daarna een paar dagen naar Parijs, onder meer om het Louvre te bezoeken. Dit gebeurde vlak voordat hij naar Engeland vertrok, omdat hij was overgeplaatst naar het Londense filiaal van Goupil & Cie.

zomer 1873 – de eerste mentale crisis in de levensloop van Vincent

Vanwege zijn werk in Londen verbleef Vincent vanaf augustus 1873 in het pension van mevrouw Ursula Loyer. Vincent werd daar smoorverliefd op Ursula’s dochter Eugenie. Nadat hij haar een huwelijksaanzoek had gedaan, bleek zij al verloofd te zijn. Zijn wanhopige pogingen om toch tot haar door te dringen leverden geen resultaat op, waardoor Vincent in een diepe crisis terechtkwam.

november 1873 – Theo naar Den Haag

Vincents broer Theo werd van het Brusselse filiaal overgeplaatst naar het filiaal van Goupil & Cie in Den Haag.

voorjaar 1874 – vakantie in Helvoirt

Aan het eind van de lente bracht Vincent enkele vakantiedagen door bij zijn ouders in Helvoirt. Hij leed nog steeds onder zijn mislukte liefdesavontuur met Eugenie en gaf dat aan zijn ouders als verklaring voor zijn depressiviteit.

half juli 1874 – terug naar Londen

Vincent ging terug naar Londen, ditmaal in gezelschap van zijn zus Anna. Zij kreeg ook een kamer in het pension van mrs. Loyer. Vincent zonderde zich veel af, naar het schijnt om in het geheim Nederlandstalige bijbelverzen te vertalen naar het Frans, Duits en Engels. Niet lang na hun aankomst verhuisden Vincent en Anna naar een ander pension: dat van John Parker aan Kennington Road 395 in Londen. Anna vond snel werk als onderwijzeres op een meisjesschool, waarop zij naar het plaatsje Welwyn in Hertfordshire verhuisde.

oktober 1874 – Vincent naar Parijs

Oom Cent was begaan met de psychische situatie waarin Vincent verkeerde en zorgde ervoor dat Vincent werd overgeplaatst naar het Parijse filiaal van Goupil & Cie. Hij deed dat in de hoop dat Vincents verdriet daardoor op de achtergrond zou raken. In Parijs woonde Vincent in de wijk Montmartre, waar hij een kamer deelde met Harry Gladwell, wiens vader een kunstgalerie had in Londen. Vincent bezocht regelmatig musea en galeries, waarbij hij voor het eerst de boerentaferelen van Jean-François Millet en Jules Breton aanschouwde.

december 1874 – Vincent weer terug naar Londen

Het plannetje van oom Cent bleek niet te werken. Ook in Parijs ontkwam Vincent niet aan zijn neerslachtigheid, zodat hij van zijn superieuren terug moest gaan naar het Londense filiaal van Goupil & Cie.

25 december 1874 – Kerstmis in Helvoirt

Vincent bracht de kerstdagen door bij zijn ouders in Helvoirt. Het hele gezin was aanwezig, behalve zijn zus Anna, die de Kerst doorbracht in Engeland.

januari tot mei 1875 – toch weer Londen

Na zijn kerstvakantie in Helvoirt vertrok Vincent opnieuw naar Londen vanwege zijn werk bij kunsthandel Goupil & Cie. Kennelijk was hij tevreden met het pension van de familie Parker, want hij trok daar weer in. Hoewel zijn neerslachtigheid enigszins was afgenomen, bleef hij een slecht humeur houden. Daarover schreef althans zijn zus Anna, die af en toe bij haar broer Vincent op bezoek kwam.

mei 1875 – definitief Parijs

Half mei 1875 werd Vincent definitief overgeplaatst naar de Parijse vestiging van Goupil & Cie. Hij kreeg een soort proeftijd van twee maanden, waarna werd bepaald dat hij voorlopig mocht blijven. Maar eigenlijk wilde Vincent wat anders gaan doen. Uit nogal zwaarmoedige brieven aan zijn ouders bleek dat hij genoeg had van de kunsthandel. Hij verwaarloosde dan ook zijn werk en gedroeg zich vervelend naar zijn collega’s toe.

oktober 1875 – Etten

De vader van Vincent werd in Etten benoemd tot predikant van de Nederlands Hervormde Gemeente. Het gezin verhuisde vervolgens van Helvoirt naar de pastorie aan de Roosendaalseweg 4 in Etten. Dit dorp lag ten westen van Breda en zo’n 15 kilometer ten noorden van Vincents geboorteplaats Groot-Zundert.

25 december 1875 – Kerstmis in Etten

De verstandhouding tussen Vincent en zijn Parijse werkgever verslechterde verder toen Vincent zonder verlofdagen op te nemen de kerstdagen doorbracht bij zijn ouders in Etten.

1 apil 1876 – Vincent nam zelf ontslag

In april 1876 bleek dat Vincent niet door één deur kon met een van de Franse partners van Goupil (Léon Boussod). Hij moest – mede vanwege zijn ongepaste houding naar collega’s en klanten – vrezen voor ontslag. Om dat voor te zijn, nam hij zelf het initiatief om op te stappen.

april tot juni 1876 – naar Ramsgate bij Londen

Na een kort bezoek aan zijn ouders in Etten reisde Vincent naar het Engelse dorp Ramsgate. Hij vond daar snel werk bij dominee William Port Stokes, die Vincent echter geen salaris kon bieden. Op de privéschool van dominee Stokes gaf Vincent les in onder andere rekenen. In ruil hiervoor ontving hij kost en inwoning.

juli tot december 1876 – eerste preek in Isleworth

In juli verplaatste dominee Stokes zijn school naar Isleworth, aan de rand van Londen. Omdat hij nog steeds geen salaris had, zocht Vincent naarstig naar betaald werk. Dat vond hij bij de methodistische predikant Thomas Slade-Jones, die eveneens in Isleworth werkte. Daar mocht Vincent in november 1876 zijn eerste preek houden. In deze periode bezocht hij regelmatig musea, waaruit zijn belangstelling voor bijvoorbeeld Rembrandt, Da Vinci en Van Holbein bleek.

25 december 1876 – ommekeer met Kerstmis in Etten

Eind december 1876 ging Vincent vanwege Kerstmis op bezoek bij zijn ouders in Etten. Die schrokken enorm van de slechte lichamelijke en geestelijke toestand waarin hun zoon verkeerde. Met enige moeite temperden zij Vincents verlangen om zich de rest van zijn leven aan de evangelisatie van de armen te wijden. Bovendien haalden zij hem met succes over om in Nederland te blijven en om niet terug te reizen naar Londen.

januari tot mei 1877 – werk in boekhandel Dordrecht

Oom Cent was Vincent nog steeds welgezind en regelde een baan voor hem als winkelbediende bij boekhandel Blussé & Van Braam in Dordrecht. Vincent vond onderdak in het pension van de familie Rijken. Hoewel Vincent nu inkomsten had, bleef hij dromen van een baan als dominee. Mede daarom gebruikte hij zijn vrije tijd om Nederlandse bijbelteksten te vertalen naar de talen die hij machtig was: Frans, Duits en Engels.

mei 1877 tot juni 1878 – Amsterdam

Met behulp van een vriend uit het pension in Dordrecht (P.C. Görlitz) wist Vincent zijn vader te overtuigen van zijn kerkelijke roeping. Vincent ging vervolgens naar Amsterdam om zich voor te bereiden op het toelatingsexamen voor de theologische opleiding. Van dr. Mendes da Costa en zijn neef kreeg Vincent lessen in Grieks, Latijn en wiskunde. Hij logeerde op de Marinewerf, waar zijn oom (Johannes van Gogh, broer van zijn vader) directeur was. Vincent hield het echter niet vol omdat hij het allemaal te moeilijk vond en brak zijn studie af.

juli 1878 – cursus in Laken bij Brussel

Vincent ging weer bij zijn ouders in Etten wonen, waar op dat moment de Engelse dominee Thomas Slade-Jones bij zijn vader op bezoek was. Met z’n drieën reisden ze naar Brussel om leden van het protestantse Zendingscomité te bezoeken. Vincent nam zich voor om in Laken een opleiding van drie maanden te volgen met als uiteindelijk doel zendeling c.q. evangelist te worden.

augustus tot half november 1878 – een teleurstelling in het leven van Vincent

De korte opleiding (drie maanden op proef) op de evangelistenschool van dominee Bokma bleek Vincent te bevallen en hij maakte hem ook helemaal af. Helaas zonder succes, zoals blijkt uit een brief aan zijn broer Theo. Vincent schrijft: “15 Nov. is gepasseerd dus zijn de 3 maanden verstreken. Sprak met Ds de Jonge & met Meester Bokma, zij zeggen er is geen gelegenheid om op de school te zijn op de zelfde voorwaarden als zij aangeboren Vlamingen geven” (Bron: https://vangoghletters.org/vg/letters/let148/letter.html)

Teleurgesteld reisde Vincent terug naar Etten.

november en december 1878 – naar de Borinage

Na een kort verblijf in Etten probeerde Vincent alsnog zijn roeping te volgen. Hij vertrok naar het dorpje Pâturage in de Belgische mijnstreek Borinage, waar hij in december 1878 per trein arriveerde. De leef- en werkomstandigheden in deze streek waren erbarmelijk. Vincent bezocht er zieken en vertelde aan mijnwerkers verhalen uit de bijbel.

januari tot juli 1879 – Wasmes, België

Via de Brusselse evangelistenschool van dominee Pietersen kon Vincent in Wasmes (Borinage) een half jaar aan de slag als lekenpredikant. Zelf leefde Vincent net zo armoedig als de mijnwerkers. Hij gebruikte zijn vrije tijd om schetsen van de mijnwerkers te maken. Na een mijnexplosie verzorgde hij de gewonden, maar hij deed dat op een dermate overdreven zorgzame manier, dat de kerkelijke organisatie hem niet meer geloofde. In juli 1879 werd het contract van Vincent niet verlengd met als gevolg een oneervol ontslag.

zomer 1879 – waterverf uit Nederland

In de zomer van 1879 kreeg Vincent een doos met waterverf opgestuurd door zijn vroegere chef Tersteeg bij Goupil & Cie in Den Haag. Hieruit bleek dat beiden nog steeds contact met elkaar onderhielden. Eerder had Vincent een potloodtekening gemaakt van de cokesfabriek in Flénu. Deze tekening gaf hij nu kleur door hem met behulp van zijn waterverf-cadeau te bewerken.

augustus 1879 tot februari 1880 – Cuesmes, België

Vincent besloot vanuit Wasmes de 80 kilometer naar Brussel te lopen. Hij bezocht daar dominee Pietersen van de evangelistenschool, aan wie Vincent zijn schetsen van de mijnwerkers liet zien. Kennelijk onder de indruk werd Vincent doorverwezen naar pastoor Frank in Cuesmes. Hij liep vervolgens terug naar de Borinage, opnieuw zo’n 80 kilometer, nu naar Cuesmes. Daar zette hij zijn werk als lekenpredikant gratis en in grote armoede voort. Opnieuw tekende Vincent veel, maar in dezelfde periode begon hij ook belangstelling voor het schilderen te krijgen. Mogelijk ontstond die interesse door de waterverfdoos die hij in de zomer van 1879 cadeau had gekregen van de heer Tersteeg.

begin november 1879 – Theo naar Goupil Parijs

Vincents broer Theo werd als kunsthandelaar van Goupil & Cie te Den Haag, overgeplaatst naar het filiaal in Parijs.

maart tot augustus 1880 – interesse om te schilderen groeit

Vanwege Vincents toenemende belangstelling voor schilderen, besloot hij om vanuit Cuesmes 70 kilometer naar het Noord-Franse Courrières te lopen om de boerenschilder Jules Breton te bezoeken. Hij schaamde zich echter voor zijn onverzorgde uiterlijk en kleding, zodat hij niet durfde aan te kloppen. Vincent riep later de hulp van zijn broer Theo in Parijs in, aan wie hij zijn dilemma van “hoe nu verder” per brief voorlegde.

augustus en september 1880 – Vincent wordt definitief kunstenaar

Door nog een poosje in de Borinage te blijven, begon Vincent steeds meer tekeningen te maken van mijnwerkers en hun dagelijkse activiteiten. Maar het echte werk ging pas van start toen Theo zijn broer vanuit Parijs aanmoedigde schilder te worden door reproducties van werken van o.a. Millet aan hem op te sturen. Vincent leerde het vak zichzelf aan door andermans werk, zoals dat van Millet en Breton, over te tekenen of anderszins te kopiëren.

oktober 1880 tot april 1881 – Brussel en Anthon van Rappard

Na zijn beproevingen in de Borinage en met de nodige trauma’s onder de leden, vertrok Vincent naar Brussel. Daar schreef hij zich in bij de kunstacademie, waar hij lessen perspectief en anatomie volgde. In november 1880 ontmoette hij via zijn broer Theo onder meer de vermogende kunstschilder Anthon van Rappard, die van adellijke afkomst was. Tussen Vincent en hem zou zich spoedig een hechte vriendschap ontwikkelen. Begin 1881 werkte Vincent enige maanden in het Brusselse atelier van Van Rappard. Ondertussen stuurde Theo maandelijks schildersmaterialen naar Vincent, plus een financiële toelage.

In de resultaten van ons onderzoek naar codes in het werk van Vincent van Gogh  (te lezen op onze abonnee-website www.schildersgeheimen.nl) wordt uitgelegd hoe Anthon van Rappard betrokken was geraakt bij de codering van onder andere “De Aardappeleters”.

april 1881 – Vincent naar Etten

Vincent trok vanuit Brussel weer in bij zijn ouders in Etten. De pastorie aldaar (het gebouw bestaat tegenwoordig niet meer) was ruim genoeg om een aantal gasten te herbergen. Zo kwam Theo op bezoek om met Vincent over zijn schilderscarrière te praten. Ook Anthon van Rappard kwam er twee weken logeren. In deze periode bracht tevens de Geldropse kasteelheer Hubertus Paulus Hoevenaar een geheim bezoek aan de vader van Vincent, dominee Van Gogh.

Gerelateerd: 24 mei 1881 – Kasteel Geldrop

Op 24 mei 1881 vond het huwelijk plaats van Arnaudina Hoevenaar (dochter van de Geldropse kasteelheer Hoevenaar) en Hendrik Nicolaas Cornelis van Tuyll van Serooskerken. De familie van Tuyll van Serooskerken was op dat moment al eigenaar van het kasteel in Heeze (ca. 5 km ten zuiden van Geldrop gelegen). Door dit geënsceneerde huwelijk werd de invloed van de familie uitgebreid naar Geldrop. In mysterietermen werden hiermee de kastelen van Geldrop en Heeze als het ware samengevoegd tot één geheel, met elkaar verbonden door de rivier de Kleine Dommel.

Gerelateerd: 11 juli 1881 – Kasteel Geldrop

Melanie Hoevenaar, de stiefzus van kasteelheer Hoevenaar, kwam op 11 juli 1881 in Parijs te overlijden. Zij was 49 jaar eerder geboren in het Franse Sablonville. Deze plaatsnaam zou via het rond 1866 gerenoveerde kasteel Geldrop verbonden raken aan Vincents wereldberoemde (gecodeerde) werk “De Aardappeleters” uit 1885 (zie onze abonnee-website www.schildersgeheimen.nl). 

zomer 1881 – Vincent opnieuw verliefd

In de zomer was een volgende deceptie op liefdesgebied voor Vincent aanstaande. Zijn nicht Cornelia (Kee) Adriana Vos-Stricker, logeerde enige tijd in de pastorie, samen met haar zoon Jantje. Een kleine drie jaar daarvoor, in oktober 1878, was haar man Christoffel Marinus Vos, op 37-jarige leeftijd overleden. Net zo oud dus als Vincent in 1890 zou worden. Kee en Jantje gingen regelmatig mee met Vincent het veld in en jawel, Vincent werd verliefd op haar.

zomer 1881 – Vincents derde huwelijksaanzoek

De liefde van Vincent voor Kee Vos was dermate sterk, dat hij haar ten huwelijk vroeg. Kee was echter nog niet over het verlies van haar man heen en wees het aanzoek daarom krachtig af met “neen, nooit, nimmer.” Vincent toonde zich echter vasthoudend en deed veel moeite om te proberen haar van gedachten te doen veranderen. De beide families vonden het maar niets, zij zagen niets in een huwelijk. Dat veranderde echter niets aan Vincents gevoelens voor Kee.

november 1881 – door het vuur

In november ging Vincent naar Amsterdam om Kee thuis op te zoeken. Hij mocht haar echter niet zien en haar vader trachtte Vincent er van te overtuigen om haar uit zijn hoofd te zetten. Vincent toonde aan dat hij het meende met Kee door zijn linkerhand enige tijd in een kaarsvlam te houden. Het mocht allemaal niet baten, want in de drie dagen dat Vincent in Amsterdam was, kreeg hij haar niet te zien. Hij keerde teleurgesteld terug naar Etten.

december 1881 – Den Haag

Vincent ging vanuit Etten enkele weken naar naar Den Haag om les te nemen bij zijn aangetrouwde neef Anton Mauve. Die had zich al gevestigd als bekende schilder van de Haagse School. Hij ontmoette in die tijd ook Georg Hendrik Breitner en andere schilders, waarmee Vincent de basis van zijn carrière verstevigde. Anton Mauve had grote invloed op Vincent, met name omdat Mauve zich toelegde op het schilderen van gewone mensen. Mauve’s onderwerpen als spitters, boeren, houtverzamelaars en aardappeleters spraken Vincent erg aan, want later zou hij die zelf gaan schilderen.

Kerst 1881 – ruzie in de pastorie

Intussen kon Vincent zijn geliefde Kee nog steeds niet uit zijn hoofd zetten, wat met Kerstmis resulteerde in een felle ruzie met zijn vader. Een week lang twistten de koppige vader en de niet minder koppige zoon met elkaar, tot Vincent met Oudjaar uiteindelijk boos de pastorie in Etten verliet. Hij zou daar niet meer terugkomen, maar het had wel impact gehad op het leven van Vincent en op dat van zijn vader.

januari 1882 – Sien Hoornik

Vincent reisde naar Den Haag, waar hij in de buurt van Anton Mauve ging wonen. Mauve leende hem wat geld en bleef hem helpen bij het schilderen. Ook van Theo bleef Vincent een toelage ontvangen. In deze maand ontmoette hij Sien Hoornik, die zwanger op straat rondzwierf en wat verdiende als prostituee. Vincent trok zich haar situatie aan. Zij mocht voor Vincent poseren en deed voor hem het huishouden. Zij woonde in bij Vincent, samen met haar vijfjarig dochtertje Maria. Het duurde niet lang of Vincent en Sien kregen een relatie.

februari/maart 1882 – opdracht voor Vincent

Het norse karakter van Vincent veroorzaakte spanningen met andere schilders. Ook de verstandhouding met Mauve verslechterde, hoewel Vincent hem bleef bewonderen vanwege zijn werk. Vincents oom Cor had in Amsterdam een kunsthandel en boekwinkel aan de Keizersgracht 453. Deze oom gaf Vincent een opdracht voor tweemaal tien pentekeningen, oftewel twintig stadsgezichten van Den Haag. Wellicht uit dank hiervoor nam Vincent het adres van de boekhandel van zijn oom meerdere keren in code mee in zijn tekeningen en schilderijen.

juni 1882 – in het ziekenhuis in Den Haag

In juni verbleef Vincent drie weken in het ziekenhuis om te worden behandeld tegen gonorroe. Hij had deze geslachtsziekte kennelijk opgelopen via Sien. Vincent wilde met haar trouwen, maar de wederzijdse familie was daar tegen. Vincents vader kwam hem bezoeken in het ziekenhuis en probeerde zijn zoon op andere gedachten te brengen. Zijn voormalige chef van Goupil & Cie te Den Haag, Tersteeg, probeerde hetzelfde. Toen dat niet lukte, verbrak hij het contact met Vincent.

juli 1882 tot september 1883 – samenwonen met Sien en kinderen

Op 2 juli 1882 beviel Sien van haar zoon Willem. Vincent, inmiddels uit het ziekenhuis, woonde nu samen met Sien en haar twee kinderen. Terwijl de weerstand tegen deze verhouding binnen de wederzijdse familie groeide, bleken ook de karakters van Sien en Vincent met elkaar te botsen. Ondertussen herstelde zich de relatie met Mauve en liet Vincent zich ook beïnvloeden door schilders als Eugène Delacroix en Millet. Door gesprekken met zijn broer Theo kwam Vincent tenslotte tot het inzicht dat het gezinsleven niet te verenigen viel met zijn artistieke loopbaan. Hij besloot Sien daarom te verlaten, een keerpunt in het leven van Vincent van toen. Kort na zijn vertrek trok Sien in bij haar moeder in de Bagijnestraat, in die tijd de rosse buurt van Den Haag.

augustus 1882 – vader Van Gogh dominee in Nuenen

Theodorus van Gogh, de vader van Vincent, werd in augustus 1882 beroepen tot dominee in het Brabantse dorp Nuenen. Hij had daarvoor een relatief zware sollicitatieprocedure doorlopen, waarbij de kasteelheer van Geldrop, Hubertus Paulus Hoevenaar, het laatste woord had. Hoevenaar had in Geldrop op het toenmalige kasteelterrein een protestants kerkje laten bouwen, waar de Nuenense dominee ook moest komen preken. Dat betekende dat vader Van Gogh akkoord moest gaan met het regelmatig – meestal lopend – afleggen van grote afstanden op één dag.

Vóór Theodorus van Gogh waren er al meerdere sollicitanten geweest, die hetzij werden afgewezen, hetzij zichzelf hadden terugtrokken. Nu Van Gogh ook in Geldrop kwam preken, had kasteelheer Hoevenaar zijn doel bereikt. Het opende voor kasteelheer Hoevenaar de weg om (via Vincent) aanwijzingen naar een verborgen schat in schilderijen te laten coderen.

september 1883 – Hoogeveen

Op 11 september 1883 reisde Vincent per trein van Den Haag naar Hoogeveen. Hij logeerde daar drie weken in het logement van Hartsuiker. Hoewel Vincent bijvoorbeeld het dorp Zweeloo bezocht, bleek al snel dat zijn voorkeur uitging naar de veengebieden in het zuidoosten van Drenthe.

oktober tot december 1883 – Nieuw-Amsterdam

In Nieuw-Amsterdam logeerde Vincent in het logement van Hendrik Scholte. Hij verplaatste zich lopend en per trekschuit. Het harde leven van de boeren in en rond het veen sprak hem als kunstenaar enorm aan. Wat hij in Drenthe zag en meemaakte, vermengd met de eerdere lessen van Mauve, zou zich later vertalen in werken als onder andere “De Aardappeleters”. Vincent schilderde en tekende er in Zuidoost Drenthe op los, maar op zeker moment kreeg de eenzaamheid grote vat op hem. Hij besloot Drenthe de rug toe te keren en naar zijn ouders in Nuenen te gaan. Ondanks de bekoelde verhouding had Vincents vader hem af en toe wat geld gestuurd, net als Theo nog steeds deed. Op 4 december 1883 liep Vincent naar Hoogeveen, waar hij een dag later de trein naar Nuenen nam.

december 1883 – Kerstmis in Nuenen

Op 5 december 1883 aangekomen in Nuenen ontmoette Vincent zijn ouders en zijn bij hen inwonende broer en zus Cor en Willemien. Om orde op zaken te stellen ging Vincent naar Den Haag om er achtergebleven spullen op te halen. Hij nam daar ook definitief afscheid van Sien. Op 25 december, eerste kerstdag, trok Vincent bij zijn ouders in.

begin december 1883 – het eerste atelier in het leven van Vincent

De slechte uiterlijke verzorging en kledingstijl van Vincent kon niemand bekoren, maar zijn ouders zeiden er niets van om hun zoon een kans te geven. In een bijgebouw van de pastorie aan de Berg in Nuenen boden zij Vincent cynisch hun washok aan als ruimte voor een atelier. Daar maakte hij evenwel dankbaar gebruik van en hij begon er meteen met tekenen en schilderen.

half december 1883 – de eerste codes van Vincent

Koud in Nuenen aangekomen, liep Vincent in de sneeuw naar de Clemenskerk in Gerwen en maakte daar een pentekening van. Het werk vol raadselachtigheden resulteerde in “Landschap met kerk”. Het was het eerste werk van Vincent waarin zijn geheime codes heel duidelijk naar voren kwamen. Het blog hierover met een uitvoerige uitleg kan worden gelezen op www.schildersgeheimen.nl.

tot slot – voorlopig eind tijdlijn over het leven (30 jaar) van Vincent

Ergens in de tijdlijn tot op dit moment (tussen oktober 1880 en half december 1883) is Vincent in aanraking gekomen met personen die iets wisten van de verborgen schat bij Geldrop. Nadat hij kunstenaar was geworden, ging Vincent er kennelijk mee akkoord om in bepaalde schilderijen en tekeningen in code naar de verblijfplaats van de schat te verwijzen. Vincents laatste schilderij met codes gericht op Brabant, was “Boomwortels”. Dat werk maakte hij kort voor zijn dood (eind juli 1890) in het Noord-Franse dorp Auvers-sur-Oise.

Deze tijdlijn loopt vanaf dit punt niet verder. Het voortdurende onderzoek richt zich thans zich op het analyseren van geografische coördinaten die Vincent in enkele van zijn werken achterliet.